‘VAN DE HEL NAAR DE HEMEL VAREN’
Door Hans Bouscholte
Twee mannen in een heel klein bootje op de wijde, Atlantische Oceaan met niets anders bij zich dan wat eten, medicijnen en een Iridium telefoon. Niets is er in de wijde omtrek te bespeuren, behalve die nooit aflatende aan rollende golven en de overzeilende wolken.
Bij vertrek uit Afrika zijn ze vier tankers gepasseerd en daarna is het leeg gebleven op zee. Hun wereld bestaat uit windhoek, windsterkte, windrichting, koud eten en pijnlijke handen.
De wonden zijn niet bij te houden. Kleine, open zweertjes, waarin het zout zich nestelt en de huid tot op het bot wegvreet. De desinfecterende zeep kan zijn werk nauwelijks doen, de rubberen handschoenen ten spijt. De schoten snijden door het rubber heen. Ook de voeten hebben te lijden, maar die missen tenminste de spanning van de lijnen. De wind is goed, niet te hard, niet te zacht. De extra grote spinaker doet goede diensten voor hun recordpoging: zo snel mogelijk van oost naar west, van Afrika naar Guadeloupe deze immense plas overvaren.
Al elf dagen kijken deze zeilers tegen hun gekleurde zeildoek aan. In die elf dagen hebben ze niet meer dan twee uur per nacht geslapen. Om beurten mogen ze ‘s nachts op een van de vleugels in de slaapzak kruipen, maar het overslaande buiswater maakt hen keer op keer wakker.
Een natte plens water in het gezicht houdt zelfs de meest vermoeide zeiler uit zijn slaap. Ze zijn de uitputting nabij en het einde is nog niet in zicht. Via de telefoon krijgen ze een stormmelding. ‘Maak jullie niet ongerust,’ zegt de weerman vanuit zijn droge, warme kantoor in Nederland, ‘de golven zullen niet hoger zijn dan een meter of twee, drie.’ De zeilers, die iedere ochtend tegen de dageraad een pauze inlassen om wat te eten en het enige kopje koffie van de hele dag te drinken, turen naar de horizon. Nog geen wolken in zicht. Ze stropen op hun gemak hun pakken af, smeren zich met de zeep in, legen hun blaas en dan gaan ze weer, voort over de golven, op hun kleine bootje, dat bestaat uit slechts twee rompen en een trampoline.
Vierentwintig uur later is er niets van hun rust en vertrouwen op een goede afloop over. Ze maken zich ongerust, heel ongerust. De storm is veel heftiger dan voorspeld. De wind neemt toe tot windkracht acht; de golven bereiken hoogtes van vier, vijf meter.
De open catamaran komt niet tegen de golven op. De brekers dompelen het bootje keer op keer in tonnen water, dat niet koud is, maar toch krijgt de ene zeiler het kouder en kouder. Hij pompt met moeizame gebaren het water uit de rompen.
Sinds ze de eerste nacht ergens tegenop zijn gevaren, maken ze vijftig liter water per dag. Ze hebben het lek nooit kunnen ontdekken, maar wel onder controle gekregen. De wind huilt om hun oren. De zon zakt weg en neemt het licht mee.
De storm blijft. Na twee dagen zijn de beide mannen totaal uitgeput, murw gebeukt door de golven, de spanning en de kou. De Franse zeiler klappertandt en kan niet meer stoppen. ‘Onderkoeling’, constateren de zeilers en ze weten welk gevaar dreigt.
Aan hun record denken ze allang niet meer; overleven is hun doel. Dus offeren ze een spinaker op om er een drijfanker van te maken. Het doek achter de boot remt hen iets af. Een andere spinaker trekken ze tevoorschijn als deken, als redmiddel tegen de kou en de levenloosheid.
Dicht tegen elkaar aan gekropen liggen de zeilers onder het doek op de trampoline, terwijl de golven opgetogen met hun nieuwe speeltje tekeer gaan. Ze tillen het bootje op, slaan hem in een golfdal en breken dan bulderend over hem heen. Dat doen die golven nog een dag en een nacht lang. In de chaos lukt het de zeilers wel hun noodrantsoen van warme maaltijden klaar te maken. Ze trekken de blikken open die zich vanzelf verwarmen en lepelen met grote happen de prut naar binnen.
Ze drinken wat water en kruipen weer onder hun dunne doek. Dan, eindelijk, bedaren de storm en de zee. En als de dageraad van hun vijftiende dag op zee zich aankondigt, zien de zeilers het mooiste uitzicht dat ze zich hadden kunnen wensen:
de contouren van een twintig meter lang zeiljacht, dat hen tegemoet komt varen.
Op het dek staan familieleden, vrienden en fotografen te zwaaien met de tranen in de ogen. Ze zijn ontroerd bij het zien van dat miniscule bootje en twee levende zeilers, die een wereldrecord hebben gevestigd en nu, zoals ze later in hun eigen woorden zouden zeggen ‘van de hel naar de hemel varen’.
Naschrift:
De Nederlandse zeiler Hans Bouscholte (36) en zijn Franse bemanning Gerard Navarin (43) zetten het wereldrecord van de Atlantische oversteek in een open catamaran op hun naam,
toen ze in de vroege ochtend van 6 februari 1999 na 15 dagen, 0 uur en 26 minuten de finishlijn bij Guadeloupe bereikten. Het moedige tweetal was op 22 januari 1999 om 12.35 uur bij het Senegalese Dakar van start gegaan voor de 5000 kilometer lange oversteek. Ze verbeterden het oude record uit 1986 met drie dagen, 21 uur en 34 minuten. Dit was de vierde keer dat een zeilduo de monstertocht ondernam en op een zeilbootje van 5,7 meter lang en drie meter breed (5,75 meter inclusief de vleugels) golven, lichamelijke ongemakken en lekkage trotseerden.